Analyse interne partij

Door Leon

Afgelopen maandag brak de interne competitie voor de tweede achtervolgende week een record. Vorige week werden er voor het eerst 16 partijen gespeeld, deze week waren het er maar liefst 17!

Een van deze partijen was een clash der classici, mijn partij tegen Gert-Jan. Gert-Jan is aan een goede reeks bezig. Eind vorig seizoen verloor ik mijn partij tegen hem, dus nu was ik gebrand op revanche.

Hieronder volgt de partij.

Gert-Jan – Leon, 5 oktober 2026

Kermisschaak

Door Leon

In verband met de kermis in Rosmalen ligt het Zomerschaak een weekje stil. Dat bracht mij op het idee zelf eens een schaakkermis op te tuigen. Deze kermis bestaat uit zes attracties!

Ik ontleen deze kermisattracties aan het volgende boek: M. Euwe-M. Niemeyer-A. Rueb-B.J. van Trotsenburg, ’H.G.M. Weenink. Samengesteld voor het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap en den Nederlandsen Bond van Probleemvrienden’, Amsterdam-Haarlem [1932].

Dit boek is geschreven als eerbetoon aan Henri Weenink, een schaker die vandaag de dag vrijwel vergeten is, maar die in de jaren twintig van de vorige eeuw behoorde tot de top van de Nederlandse schaakwereld. Hij is geboren in Amsterdam in 1892 en stierf jong in 1932.

Tegenwoordig kennen sommigen deze Weenink misschien nog slechts van een paar verliespartijen tegen Euwe die in de biografie van deze wereldkampioen worden geanalyseerd. Weenink was echter niet alleen een verdienstelijk schaker, maar ook een probleemcomponist die in 1921 over dit deelgebied van het schaken het boek ’Het schaakprobleem. Ideeën en scholen’ publiceerde, dat in 1926 in een uitgebreidere versie ook in het Engels verscheen onder de titel ’The Chess Problem’.

Een van zijn beste prestaties was een met Landau gedeelde tweede plaats in het Nederlands kampioenschap van 1929, dat in juli van dat jaar in Amsterdam werd gehouden. Euwe won met 8½ uit 9, maar Weenink deelde met Landau de tweede plaats met 7 uit 9 en bleef ongeslagen.

Zijn grootste succes boekte Weenink in het zogenaamde Spielmann-toernooi, een zeskamp die in februari 1930, eveneens te Amsterdam, werd gehouden. Hij won het toernooi met 4 uit 5, voor Euwe met 3 punten en Spielmann en Landau met 2½ punt.

Opgave 1: de draaimolen

Laten wij nu de kermis betreden! Om te beginnen nemen wij plaats in een draaimolen. We zien die in onderstaand diagram, een probleem van F.G. Glass.

Opgave 1. Glass. Wit geeft mat in 4.

Hoe zet wit de draaimolen in werking om zwart op de vierde zet mat te geven?

Opgave 2: de breakdance

Voor de tweede opgave moeten we plaatsnemen in een iets grotere attractie, de breakdance. Zie het diagram hieronder. Het probleem is gecomponeerd door J.C.J. Wainwright.

Opgave 2. Wainwright. Wit geeft mat in 4.

Hoe zwiept wit de zwarte koning mat?

Intermezzo: de booster

Wie duizelig is geworden van de draaimolen en de breakdance kan voor de derde kermisattractie een boost krijgen in de vorm van een opgave van F. Simchowitsch, die in ’L’Italia Scacchistica’ van 1924 een eerste eervolle vermelding kreeg. Ik geef eerst het diagram en meteen daarna de uitwerking. Dit als inspiratie voor de drie kermisattracties die hierna nog volgen!

Simchowitsch 1924. Wit aan zet maakt remise.

De oplossing van dit probleem geeft Weenink in zijn schaakrubriek in ’De Oprechte Haarlemsche Courant’ van 21 september 1928. Ik citeer het stijlvolle relaas van Weenink:

’Zoo op ’t eerste gezicht lijkt het, of wit, die een Toren achter is, gebruik moet maken van ’t eenigszins afzijdig staan van Ta7 en Lc8 om een of ander eeuwig schaak-mechanisme in elkaar te zetten. Maar dat valt niet mee. Men probeert:

  1. Pg5-f7     Td8-e8

want op Tf8 volgt Tf3† Ke6 Pg5†.

  1. Pf7-d6†    e7xd6
  2. Tg3-f3†    Kf5-g6
  3. Tf3-g3†    Kg6-f7
  4. Tg3-f3†    Kf7-e7

en als men zoover gekomen is, zegt men: ”Zo gaat het niet; de koning ontwijkt via d8”.

Stelling na 5… Kf7-e7

Dan gaat men van voren af aan beginnen; alles en nog wat probeeren; ieder liefhebber kent de grimmige woede, die zich dan van den oplosser meester maakt. Want, nietwaar, die pionnen op g2 en f2 wijzen toch wel sterk in de richting van een eeuwig schaak met een witten Toren die tusschen e3 en h3 heen en weer gaat. Maar telkens komt men terug tot de stelling, die na de boven aangegeven 5 zetten ontstaat. Tenslotte gebeurt een van tweeën: of ge krijgt een helderen inval en vermoedt het geniale plan dat aan het vraagstuk ten grondslag ligt, of een vriend zegt tegen u: ”Het gaat verder zoo:”

  1. Tf3-e3†     Ke7-d8
  2. Te3xe8†    Kd8xe8
  3. a2-a3!

Stelling na 8. a2-a3

Dan wacht die vriend eens eventjes om van uw verbazing te genieten. Eerst zijt ge geneigd om u reeds gewonnen te geven: de heele zwarte damevleugel is geblokkeerd en de zwarte Toren en Looper kunnen dus geen kwaad doen. Maar dan schudt ge ongeloovig het hoofd en zegt: ”Dat is een kwestie van tijd; wel kan Lc8 er niet meer uit, maar de zwarte Toren komt wel los langs de achtste rij en die trekt dan om en zwart wint.” Inderdaad: wit is nog lang niet veilig en moet nog allerlei vernuftige zetten vinden. Laten we zwart zoo spoedig mogelijk zijn Toren doen meehelpen:

  1. …..          Lc8-b7
  2. Kc1-d1    Ke8-f7
  3. Kd1-e1    Ta7-a8
  4. Ke1-f1     Ta8-h8
  5. Kf1-g1!

Stelling na 12. Kf1-g1

Nog net bijtijds is de witte Koning present om de omtrekking langs de h-lijn te beletten. Nu gaat zwart het eens langs de e-lijn probeeren:

  1. …..            Th8-e8
  2. Kg1-f1

Stelling na 13. Kg1-f1

Daar de zwarte Toren klaarblijkelijk niet kan indringen, zal de zwarte Koning via e4 moeten oprukken. Als wit dan f3 speelt om dit te beletten, krijgt de Toren het veld e3.

  1. …..             Kf7-f6
  2. g2-g3        Kf6-f5
  3. f2-f3

Stelling na 15. f2-f3

Toch! De twee pionnen beletten nu iedere poging van den zwarten Koning; langs de h-lijn kan de Toren nu evenmin iets bereiken, daar de witte Koning dan tussen g1 en g2 heen en weer schuift. Dus de laatste kans geprobeerd:

  1. …..             Te8-e3
  2. Kf1-f2        Te3-d3
  3. Kf2-e2

en nu is de indringer gevangen!

Stelling na 17. Kf2-e2

  1. …..               Td3xf3
  2. Ke2xf3

Stelling na 18. Kf2xf3

en wit houdt gemakkelijk remise, daar de zwarte Looper slechts tempozetten doen kan, doch niet actief meewerkt.

Het idee dezer studie, de blokkeering van den zwarten Looper op den tweeden zet, blijkt dus pas 16 zetten later! De fijne manoeuvres, die het ingrijpen van den zwarten Toren verijdelen en de tijdwinst door den zwarten Koning naar e8 te lokken sluiten hierbij in stijl aan.’

Opgave 3: de schiettent

Nadat we door deze booster onze energie hebben opgeladen verplaatsen we ons naar een ouderwetse schiettent. Niet geschoten is altijd mis!

In deze schiettent vormt een opgave van Weenink die hij publiceerde in De Amsterdammer van augustus 1916 het doel. In deze periode was Weenink overigens als reserve-luitenant gemobiliseerd… Wie schiet in de roos? Let op: ook de tweede zet is van belang!

Opgave 3. Weenink 1916. Wit geeft mat in 2.

Opgave 4: de rupsbaan

Voor de volgende opgave nemen wij plaats in de rupsbaan. We zien dat voor de zwarte koning het doek al bijna is gevallen! Deze opgave is gepubliceerd door Weenink in het Algemeen Handelsblad van 22 september 1917. Wie brengt de zwarte koning definitief onder zeil?

Opgave 4. Weenink 1917. Wit geeft mat in 2.

Opgave 5: de botsautootjes

We eindigen onze rondgang over de kermis in de botsauto’s. In opgave 5 wordt de zwarte koning door maar liefst 5 kleine kevertjes in het nauw gebracht.

Deze laatste opgave is door Weenink gepubliceerd in het Clubnieuws van het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap (VAS) van 1 juni 1918.

Hoe rijden de witte kevertjes de zwarte koning van de sokken?

Opgave 5. Weenink 1918. Wit geeft mat in 2.

Wie kan bovenstaande 5 opgaven oplossen? Veel plezier op de kermis en tot ziens op het Zomerschaak!

Kentering herovert Boschros!

Door Leon

Aan het eind van elk seizoen vindt traditioneel een vriendschappelijke match plaats tussen schakers van HMC Den Bosch en De Kentering. Deze massakamp staat open voor alle leden van beide clubs. Wanneer de clubs niet hetzelfde aantal spelers kunnen opstellen, spelen leden van de ene club gewoon mee voor het andere team, zodat iedereen gezellig een partij kan schaken. Want gezelligheid staat voorop bij deze traditie!

Op zaterdag 4 juli was het voor de elfde keer zover. In De Biechten was HMC de gastheer. We speelden in een lekker ruime zaal, met voor elke partij een aparte grote tafel, de airco zorgde voor een prettige temperatuur en er was een goed voorziene bar in de directe nabijheid. Beide teams bestonden uit 14 spelers en iedereen kon dus uitkomen voor zijn eigen club.

Zelf heb ik in het verleden verschillende keren meegedaan: als HMC-lid tegen Kenteringspeler Luc Seuter, als HMC-lid aan de kant van De Kentering tegen HMC-lid Kees van Oirschot en als Kenteringspeler tegen HMC-lid Caspar Hermeling.

Het is altijd leuk als je in een vriendschappelijke wedstrijd tegen een tegenstander van ongeveer gelijke sterkte speelt, en het trof dat beide teams elkaar deze keer in gemiddelde schaakkracht vrijwel niet ontliepen.

Dat wil niet zeggen dat de wedstrijd niet serieus werd genomen. Hoewel het een wedstrijd is tussen bevriende clubs, is het wel een prestigieus gebeuren en beide voorzitters hadden zo hun maatregelen genomen en zelfs familie geronseld. Aan Bossche zijde speelde de vader van de voorzitter mee en aan Rosmalense kant de zoon!

Nadat Eric Merx alle deelnemers had verwelkomd werden de klokken ingedrukt. De gehele middag was de score lichtelijk in ons voordeel. Het stond op een gegeven moment 1½-3½, het werd 4-5 en toen er nog maar één partij bezig was, stond het gelijk: 6½-6½…. Lees verder →

Interview met Tom Fürstenberg

[met een aanvulling aan het eind van het interview geplaatst op 9 juni]

[met een laatste aanvulling helemaal op het eind geplaatst op 15 juni!]

Door Leon

Tom, je wordt over enkele maanden 90 en je bent al een tijdje lid van onze schaakclub, maar niet veel mensen weten dat je in de schaakwereld al ruimschoots je sporen hebt verdiend. Ik speelde daarom al langer met het idee jou voor onze clubsite te interviewen. Toen ik een tijdje geleden een oud schaakboek opensloeg zag ik een foto van Kasparov en Piket, die hun partij uit het toernooi van Amsterdam in 1995 zaten te analyseren, en jij stond achter Kasparov en keek gewoon over zijn schouder mee.

Ja, kijken of hij het wist (lacht).

Fijn dat je hebt ingestemd met een interview! Jij hebt zoveel meegemaakt in de schaakwereld, en persoonlijk contact gehad met grootheden als Bronstein en Kasparov. Hoe ben je eigenlijk in de schaakwereld terechtgekomen? Lees verder →

Niet onze dag…

Door Leon

Op zaterdag 7 maart speelde het team van De Kentering 1 tegen dat van De Baronie 3. Een topper in klasse 5M van de KNSB! Het was de nummer twee tegen de nummer drie. De Kentering 1 stond tweede, twee matchpunten achter Eindhoven 3, en zelf stonden we weer twee matchpunten voor op De Baronie.

Winst in deze beide topwedstrijden zou het kampioenschap en daarmee promotie naar de vierde klasse kunnen opleveren. Maar eerst zou er dus tegen De Baronie moeten worden gewonnen.

Helaas heeft het niet zo mogen zijn. In een harde strijd moesten we het hoofd buigen en De Baronie boekte een verdiende 5-3 zege. Omdat Eindhoven 3 zijn wedstrijd won, is het team uit Eindhoven met nog één ronde te spelen al kampioen. Een knappe prestatie!

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de overwinning van De Baronie terecht was. Hun overwinning aan bord 2, tegen onze topinvaller Sven, was indrukwekkend. Ook het spel van de tegenstander van David getuigde van lef. Met bijna alleen maar pionzetten legde hij David het vuur na aan de schenen en deze moed leverde uiteindelijk de overwinning op.

Aan onze kant wonnen alleen Piet en Nico hun partij, terwijl Ton en Ralf een remise lieten noteren. Met de nederlagen van mijzelf en Olaf was dit te weinig om aanspraak te kunnen maken op de overwinning of zelfs maar een gelijkspel.

Mijn partij aan bord 1 was in zekere zin illustratief voor de middag. Het had er misschien wel ingezeten, maar het kwam er niet uit.

Ik speelde met zwart en ik vergiste mij in de opening. Ik speelde op de 6e zet een tamelijk ongebruikelijke variant, waarna mijn tegenstander geruime tijd nadacht en met een nog ongebruikelijkere tegenzet op de proppen kwam. Achteraf vind ik dat dit volgens de theorie de hoofdvoortzetting is, maar veelzeggend genoeg was mij dat niet bekend.

Mijn antwoord op deze verrassende zet was een fout. Ik ging vrijwillig met mijn dame in een penning. Ik wist natuurlijk ook wel dat dit in principe geen goed idee is, maar na diep nadenken meende ik te kunnen concluderen dat zwart zich dit kon permitteren en dat dit de aangewezen weg was om wits opzet te counteren.

Dit nu was een verkeerde inschatting. Wit wikkelde af naar een stelling waarin hij weliswaar een geïsoleerde dubbelpion op de e-lijn had, maar meer dan genoeg compensatie in de vorm van een geopende f-lijn en grote druk op mijn ongerokeerde koning.

Op de 19e zet was het tot de volgende stelling gekomen (zie diagram 1).

Diagram 1. Matthijs – Leon na 19. Dxe6

Na een van beide zijden niet foutloos gespeelde fase heb ik een stuk gewonnen waarvoor wit niet alleen 4 pionnen heeft, maar ook een geweldige aanvalsstelling. De computer evalueert de stelling hier op +1. Wit heeft dus verreweg de beste kansen.

Hoe pak je als zwart zo’n stelling aan? Het antwoord is natuurlijk: je stukken in het spel brengen. Maar met zo’n kwetsbare koning is dat makkelijker gezegd dan gedaan. Wit is al helemaal ontwikkeld en dreigt bijvoorbeeld zijn e-pion naar voren te brengen en de laatste pion die de zwarte koning beschermt weg te blazen. Daarna heeft hij eventueel nóg een e-pion achter de hand om als stormram het karwei af te maken.

Bovendien staan er op de damevleugel nog drie pionnen in slagorde paraat om gebroederlijk op te rukken naar een glorieuze toekomst op de achtste rij.

Ik had er dus, eerlijk gezegd, totaal geen vertrouwen in. En dat is natuurlijk niet de houding waarmee je iets afdwingt! In de laatste aflevering van New In Chess wordt ex-wereldkampioen Magnus Carlsen geciteerd, die zegt: ”In Chess, the optimal state when you’re playing a game is somewhere between optimistic and delusionally optimistic. Because if you’re realistic, you’re just never going to be opportunistic enough to exploit your opponent’s mistake.”

Hoe waar deze woorden zijn bewijst het vervolg van de partij!

Met de moed der wanhoop slaagde ik erin de dametoren en de loper in het spel te brengen. We zijn dan bij diagram 2 aanbeland, na wits zet 26. Tf1.

Diagram 2. Matthijs – Leon na 26. Tf1.

Ik was erin geslaagd een directe aanval op de koningsstelling middels de opmars e4-e5 te verhinderen. Dit had reden voor optimisme kunnen en moeten zijn, zeker omdat ik ook nog de witte c-pion had weten te veroveren. Maar het lukte me niet mijn pessimisme af te schudden. Ten onrechte, want volgens de computer is de evaluatie inmiddels -1.5, wat wil zeggen dat zwart veel beter staat!

Het gevaar dat ik nu op me af zag komen was de gevaarlijke b-pion die rechtstreeks naar dame dreigt te marcheren.

In dezelfde aflevering van New In Chess waarin Carlsen wordt geciteerd staat ook een rubriek van Castellanos, getiteld ”The worst placed piece”. Castellanos betoogt dat een van de manieren om de beste zet te vinden is te kijken naar welk stuk het slechtst staat opgesteld: ”What is the Worst Placed Piece? This is a fundamental question when it comes to positional understanding. The short answer is simple: the worst placed piece is the one that has no real function in the position, the one with little or no influence on what is going on.”

Volgens deze redenering is zwarts toren op f8 het stuk dat het minst presteert. Op de f-lijn valt niet veel meer te halen en de toren kan beter elders worden geposteerd. Ik speelde daarom 26… Te8. Op e8 lijkt de toren actiever te staan dan op f8, maar de zet is niet goed want het geeft wit de gelegenheid zijn b-pion ongemoeid te laten oprukken. Wit speelde 27. b6 en hierna is wits voordeel winnend. Zwart kan de b-pion niet meer tegenhouden.

In plaats van 26… Te8 had ik 26… Ke7! moeten spelen. Maar ik was zo gefixeerd op de f-lijn en de e-lijn dat ik helemaal niet heb overwogen de toren om te spelen naar de damevleugel. Met 26… Ke7! en dan bijvoorbeeld 27. Tf2 De1† 28. Tf1 Db4 heeft zwart zijn toren vrijgemaakt en zijn voordeel behouden.

Helaas, niet gezien. Dit was niet mijn partij. Mijn tegenstander speelde het verder mooi uit en na 33. Kg2 (zie diagram 3) gaf ik op.

Diagram 3. Matthijs – Leon, slotstelling na 33. Kg2

Waarom gaf ik op? Omdat ik dacht dat ik zou verliezen na 33… Td8  34. b8D Txb8  35. Dg8†. Maar… deze variant wint helemaal niet, want na 35… Ke7  36. Dxb8 houdt zwart remise door eeuwig schaak!

Heb ik dan ten onrechte opgegeven? Nee, dat ook weer niet. Maar om te winnen moet wit in de slotstelling na 33… Td8 wel de zet 34. Txf6! vinden. Het gaat dan als volgt verder: 34… gxf6  35. De6† Kf8  36. Dxf6† Ke8  37. Dxd8† Kxd8  38. b8D† en wit wint het dameëindspel.

Zelfs de opgave kwam dus wat vroeg. Zoals gezegd, het was niet onze dag.

De Kentering 1  De Baronie 3  
Leon ter Beek1898 Matthijs van Merwijk18980-1
Sven Jansen1974 Jan van Roestel18620-1
Piet van Eijndhoven1909 Frank Creuels17561-0
Ton Snoeren1906 Rob van Gageldonk1859½-½
David Bruggeman1915 Edwin Lessmann17660-1
Ralf Duong1870 Peter Severeijnen1804½-½
Nico van Brakel1892 Karoly Kapitany17211-0
Olaf Soons1842 Joost Rutten18690-1
 1901  18173-5