Interview met Tom Fürstenberg

Door Leon

Tom, je wordt over enkele maanden 90 en je bent al een tijdje lid van onze schaakclub, maar niet veel mensen weten dat je in de schaakwereld al ruimschoots je sporen hebt verdiend. Ik speelde daarom al langer met het idee jou voor onze clubsite te interviewen. Toen ik een tijdje geleden een oud schaakboek opensloeg zag ik een foto van Kasparov en Piket, die hun partij uit het toernooi van Amsterdam in 1995 zaten te analyseren, en jij stond achter Kasparov en keek gewoon over zijn schouder mee.

Ja, kijken of hij het wist (lacht).

Fijn dat je hebt ingestemd met een interview! Jij hebt zoveel meegemaakt in de schaakwereld, en persoonlijk contact gehad met grootheden als Bronstein en Kasparov. Hoe ben je eigenlijk in de schaakwereld terechtgekomen?

Ik ben geboren in 1936 in Amsterdam. Ik heb schaken geleerd in de oorlog, bij de familie waar ik was ondergedoken. Ik ben Joods en toen de oorlog uitbrak zijn mijn ouders naar Zwitserland gevlucht. Mijn zusje en ik, die vijf en zes jaar waren, zijn in Nederland ondergedoken. Dat heeft tweeëneenhalf jaar geduurd. We zaten in het plaatsje Tongeren, dat ligt op bijna vijf kilometer van Epe, op de Veluwe.

Heb je daar ooit nog last van gehad, emotioneel gezien?

Nou, ik houd alles een beetje op een afstand. Ik hecht me niet. Alleen aan het schaakspel (lacht). De opa van de familie waar ik in huis zat, schaakte. We waren met drie jongens daar, en daar heb ik schaken geleerd. Maar ik ben de enige van de kinderen daar die ermee doorgegaan is, als goeie Jood zijnde (lacht). Die familie had zelf twee zoons, maar in de loop van de oorlog hebben ze alles bij elkaar acht onderduikers gehad, natuurlijk niet allemaal tegelijk.

En weet je nog hoe je ouders aan dat adres op de Veluwe kwamen?

Wij hadden een Duits dienstmeisje intern in huis en toen de oorlog uitgebroken was raakte zij bevriend met een Duitse soldaat. Mijn vader was daar niet van gediend en zei dat tegen haar: ’Een Duitse soldaat als vriend moet jij weten, maar die breng jij niet bij Joden in huis.’ Uit wraak gaf zij mijn vader aan bij de Gestapo. Hij zou wapens in huis verstopt hebben en in het verzet zitten. Daarop kwam er huiszoeking en mijn vader werd meegenomen voor verhoor. Hij werd verhoord door een officier van de Sicherheitsdienst. Die wist dat dat hele verhaal niet klopte en liet mijn vader gaan, maar niet voordat hij ons aan een adres in Haarlem had geholpen. Hij werkte namelijk als spion voor de Engelsen. Hij zorgde ervoor dat het verzet ons overnam. Tevens recruteerde hij mijn vader voor het verzet. Dat kwam pas later allemaal uit. Zijn naam was Johann Stegemann. Toen de SD hem op de hielen zat en hij op het punt stond gepakt te worden, heeft hij zelfmoord gepleegd. Daar heb ik een boek over geschreven, ‘The Ultimate Deception’, maar dat is geen schaakboek dus hier niet aan de orde.

In Haarlem doken mijn zusje en ik bij een echtpaar onder. Die mensen hadden een buitenhuis in Tongeren. En wij zijn samen met dat echtpaar naar Tongeren gegaan. Maar dat echtpaar was net getrouwd. Die waren veel te jong om kinderen van vijf en zes te hebben. Dus de vrouw van het hoofd van de school waar we altijd langs liepen, zei: ’Wij moeten die kinderen redden, want dat gaat niet goed daar.’ En die hebben ons in huis genomen. Dat ging. De heer des huizes, onderwijzer van het plaatselijk schooltje, zat in het verzet, passief weliswaar want hij had een speldje met het gebroken geweertje. Hij bracht onderduikers naar hun adres en verdeelde voedsel en dat soort dingen. Eén keer werd hij opgepakt door een Duitse patrouille en toen hij op het plaatselijke Duitse hoofdkwartier werd binnengebracht werd hij door een van de soldaten herkend. ‘Das ist der Schulmeister mit den vielen Kindern, laßt ihn laufen!’ en zo geschiedde. Zo heeft onze aanwezigheid wellicht een bijdrage geleverd aan zijn vrijlating.

Heb je nog contact gehouden met die mensen daarna?

Ja, natuurlijk. Tot aan hun dood. En nu nog met hun kinderen van wie er nog maar één van de vier leeft. Na de oorlog gingen we terug naar ons huis in Amsterdam. In ons huis woonde een NSB-er. Die hebben ze opgepakt natuurlijk, na de oorlog, en die had allemaal fruitbomen geplant in onze tuin. En iedere keer als we daarvan een appel of een peer namen, zei mijn vader: ’Dankjewel, meneer Molenaar.’ Heel cynisch. ’Dankuwel, meneer Molenaar.’

De familie Bakker, bij wie Tom en zijn zus tijdens de oorlog waren ondergedoken.

Was het huis nog intact?

Helemaal. Daar hebben we geluk mee gehad. Het meubilair en de schilderijen waren opgeslagen bij de buren, en dat hebben we zonder meer teruggekregen. Daar hebben we geluk mee gehad, want bij lang niet iedereen gebeurde dat. Er is een boek: ’U wordt door niemand verwacht’, waarin dat schrijnend wordt beschreven. Dan kwamen de mensen terug, en dan konden ze niet meer in hun eigen huis.

Ben je na de oorlog blijven schaken?

Niet toen ik nog op school zat, daarna pas. Ik deed een keer mee aan een simultaan, van een hoofdklasser, in Amsterdam. En dat won ik. Toen ben ik lid geworden van een schaakclub. Eerst van het VAS, het Verenigd Amsterdams Schaakgenootschap. Dat speelde in Oost, aan de Henri Polaklaan, in de buurt van Artis. Daar heb ik nog gespeeld tegen Grapperhaus, de vader van de latere minister. Later werd ik lid van De Amsteltoren uit Ouderkerk aan de Amstel. Mijn ouderlijk huis was daar vlak bij, een huis langs de Amstel. Het was inmiddels begin jaren vijftig, ik was veertien of vijftien.

De door Tom uitgewerkte notatie van de simultaanpartij tegen de hoofdklasser Been, gespeeld op 4 oktober 1952.

Toen zat je op school, en wat heb je daarna gedaan? Ben je gaan studeren of ben je gaan werken?

Ik heb twee jaar militaire dienst gedaan. Dat had je toen nog. Daarna ben ik gaan werken. Ik heb niet gestudeerd, daar had ik een broertje dood aan, studeren. Toen ik werkte, ben ik steeds lid gebleven van de schaakclub Amsteltoren in Ouderkerk, totdat ik in 1960 naar Berlijn ging voor mijn werk. Mijn vader had een zaak in lederwaren, geschenken enzovoort, in de Kalverstraat in Amsterdam. Hij wou mij ervaring laten opdoen in andere zaken en zo kwam ik in Berlijn terecht.

Een kaartje van ex-wereldkampioen Max Euwe, waarin hij antwoord geeft op Toms vragen naar nieuwtjes over het Blackmar-Diemergambiet, gedateerd 13 juni 1953. Euwe nodigt Tom uit bij hem thuis!

Toms reactie: Dat liet ik mij niet twee keer zeggen en na telefonisch een afspraak gemaakt te hebben belde ik aan in de Johannes Vermeerstraat. Bovenaan de trap stond Euwe groot te wezen. Met knikkende knieën ging ik naar boven en mocht ik aan de eettafel plaatsnemen om allerlei varianten uit de Losbladige over te schrijven. Toen Euwe 80 werd heb ik hem aan die periode herinnerd. Hij antwoordde: ‘Dank voor een herinnering uit een ver verleden.’

Passepartout van Tom voor de schaakolympiade van Amsterdam, die van 4 tot 28 september 1954 in de Apollohal in Amsterdam werd gehouden. Tijdens dit toernooi had Tom een handtekeningenboekje waarin hij alle handtekeningen van de deelnemende schakers verzamelde. Ook David Bronstein zette zijn handtekening erin.

Antwoord van Lodewijk Prins op een opmerking van Tom naar aanleiding van het boek dat Prins over het Wereldschaaktoernooi van Amsterdam 1950 had geschreven, gedateerd 23 december 1953.

Notatie van de simultaanpartij van Tom tegen Hans Bouwmeester, gespeeld op 6 maart 1954 in Amsterdam. Tom heeft 3 partijen tegen Hans gespeeld; het staat 1½-1½.

Artikel van Emil Josef Diemer, de ’uitvinder’ van het Blackmar-Diemergambiet, in een Duitse krant, met zijn analyse van een partij van Tom uit de Amsterdamse competitie van de jaren 50.

Krantenartikel van Lodewijk Prins waarin hij een partij van Tom analyseert, gedateerd 1954.

Krantenartikel van Constant Orbaan waarin hij een lans breekt voor de Franse opening en daartoe een partij van zichzelf en vervolgens een partij van Tom analyseert.

Het is wellicht verrassend dat je na de oorlog als Jood naar Berlijn gaat voor een opleiding. Had je niet het idee van daar kom ik nooit meer, daar wil ik nooit naartoe, naar Duitsland?

Nee. Mijn vader had wel een hekel aan Duitsers, maar daarom ging hij nog wel. Om ze in de maling te nemen. Mijn moeder, die was ook een brutale. We zaten een keer in een restaurant in Hannover of zoiets, en toen zeiden die mensen auf Wiedersehen en zo, toen we weggingen, en mijn zuster was erbij, en die begreep dat niet, en ze vroeg: ’Wat zeggen ze?’ Mijn moeder zei toen: ’Ze zeggen nu auf Wiedersehen maar vroeger zeiden ze Heil Hitler!’ Keihard. Iedereen heeft het gehoord. Niemand zei wat.

Op diezelfde reis kwamen we eens bij een spoorwegovergang. Die was nogal smal, en daar was een vrachtwagen, en de chauffeur maakte handgebaren tegen ons van ’achteruit’! Dat moet je niet tegen mijn vader zeggen. Die bleef staan, en die is blijven staan. Er kwam een hele file achter te staan. Wij hadden nog achteruit gekund, maar dat deed hij niet. Wij reden toen in een auto met een Egyptisch nummerbord en mijn vader sprak alleen Engels en kon zogenaamd geen Duits. Die vrachtwagenchauffeur begon tegen hem te schreeuwen, in het Duits.

Uiteindelijk heeft hij ervoor gezorgd dat de auto’s achter hem achteruit gingen, waardoor hij ook achteruit kon. En toen reed mijn vader erlangs, met het raam open en riep ’Scheißnazi!’ tegen die vrachtwagenchauffeur. Dat was lachen geblazen. Niet door de vrachtwagenchauffeur natuurlijk.

Hoe lang ben je in Berlijn gebleven?

Een half jaar. Bij kennissen van mijn vader. Die had hij op de beurs leren kennen. Een moeder met haar zoon die een winkel gingen openen op de Kurfürstendamm. In die winkel ben ik werkzaam geweest. Tegen Kerstmis was het daar razend druk, maar toen Magda Schneider met haar dochter Romy binnenkwamen werd de winkel gesloten. Ze kochten zoveel cadeautjes dat ze die niet allemaal konden dragen. Ik heb ze toen beiden in mijn Renault Dauphine naar het Hotel Kempinski mogen brengen, Romy achterin!

Berlijners zijn een ander slag mensen. Mijn grootvader had twee zaken in Berlijn, grote zaken, vijfhonderd man personeel. Ook hetzelfde, lederwaren, tassen, koffers en geschenken, dat soort dingen. Marlene Dietrich was een heel goede klant die alleen door mijn vader geholpen wenste te worden.

En heb je in dat half jaar in Duitsland geschaakt?

Nee. Daarna ben ik naar New York gegaan, en daar wou ik weer gaan schaken. Via connecties van mijn vader ging ik in een warenhuis werken. Hij wilde dat ik verkoopervaring opdeed. Binnen twee maanden werd ik gepromoveerd tot sales manager. Dus dat was eigenlijk helemaal buiten zijn doelgroep. Je hebt daar de keuze tussen de Manhattan Chess Club en de Marshall Chess Club. Ik gooide een muntje op en het werd de Marshall. Wist ik veel dat er ene Bobby Fischer lid was van de Manhattan Chess Club!

Zijn er, of waren er toen, maar twee clubs in die enorme stad?

Ja. Voor zover ik weet.

Was Carrie Marshall daar toen nog, de weduwe van Frank Marshall?

Jazeker. Ik heb een door haar handgeschreven lidmaatschapskaartje. Zij zat altijd bij de ingang en controleerde iedereen. Verder was er nog de bekende schaker Zuckerman. Daar heb ik tegen gespeeld. Ik werd er afgeslagen tot en met. En verder speelde Al Horowitz daar. Op vrije avonden kon je schaken met wie je wilde. Je kon er elke avond terecht. In New York heb ik ook zes maanden gezeten.

Toms lidmaatschapskaart van de Marshall Chess club, uitgeschreven door Carrie Marshall.

Heb je ook partijen uit die tijd genoteerd? Weet je wat de oudste partij is die je hebt genoteerd?

Dat is die simultaan in Amsterdam tegen die hoofdklasser. Dat was meer geluk dan wijsheid, maar het heeft me wel aan het schaken gezet.

Tom haalt een ordner tevoorschijn met daarin chronologisch de partijen vanaf de jaren 50 waarvan hij de notatie heeft bewaard.

In 1960-1961 zat ik in New York. Daarna ging ik vanuit New York naar San Francisco. Allemaal om het vak te leren in het bedrijf van mijn vader. Daarna een half jaar naar Parijs. Tenslotte ben ik in 1961 naar Nederland teruggekomen.

Toen ben ik bij mijn vader in de zaak gegaan, aan de Kalverstraat in Amsterdam. Die zaak heette ’Reveillon’. Dat is Frans voor de avond voor Kerst, de cadeautjesavond. Mijn vader had diverse zaken, in Londen, in Tel Aviv, in Alexandrië en Cairo en die heetten allemaal ’Rivoli’. Mijn vader wilde de zaak in Amsterdam ook ’Rivoli’ noemen, maar er was al een zaak die zo heette. Het waren zaken die geschenken in de breedste zin van het woord verkochten.

Tot eind 1965 ben ik in de zaak gebleven. Al die tijd was ik lid van de schaakclub De Amsteltoren. Ik heb nog al mijn partijen uit die tijd bewaard. In de jaren 60 was ik erg druk en heb ik niet veel geschaakt.

In de ordner komen we onder andere een simultaanpartij tegen Hans Bouwmeester tegen, en een partij tegen Walter Tonoli, een Belgische schaker die in de jaren zeventig in het Europees jeugdkampioenschap in Groningen meespeelde.

Ik had Verena net een paar maanden via een datingsite leren kennen en woonde nog in Merksem. Toen zij een keer op bezoek was, besloten we naar met Museum Aan de Stroom (MAS) te gaan. Daar bleek Walter Tonoli een simultaan met Anish Giri te hebben georganiseerd. We zijn even blijven kijken, maar toen een tegenstander niet kwam opdagen vroeg Walter of ik niet op die plek wilde spelen. Verena zei: ’Doen! Dat museum doen we wel een andere keer.’ Ik heb het toen maar gedaan en won toen als enige. Ik bleef als laatste over en het ging snel. Er was veel publiek aan mijn bord en ik hoorde een lid van onze club zeggen: ‘Nu maakt hij een fout’, maar hij had het niet goed gezien. Vluggeren was ook toen al mijn hobby en het ging foutloos. Verena was danig onder de indruk. Ik ook moet ik eerlijk toegeven. Deze keer geen blunder.

Walter Tonoli wilde zijn zoon, toen die werd geboren, Anatoli noemen. Maar zijn vrouw wilde dat niet: Anatoli Tonoli. Later wilde ze het wel, maar toen was het te laat. Klinkt goed hè? In 1963 ben voor het eerst getrouwd, toen kwam er van schaken niet veel meer. Tot 1969-1970 heb ik niet geschaakt. In 1966 ben ik naar België gegaan, toen begon ik bij een nieuwe baan bij Samsonite, in de koffers. Na twee jaar, in 1968, ben ik naar Brussel verhuisd. Daar ben ik gaan schaken bij Anderlecht. Daar schaakten bijvoorbeeld O’Kelly, Dunkelblum, Limbos en de Nederlander Frits van Seters.

Ik maakte een keer remise tegen internationaal meester Thibaut. Sindsdien zei hij mij altijd vriendelijk gedag, maar toen ik nog eens tegen hem speelde en verloor, werd ik in het vervolg genegeerd!

Notatie van een simultaanpartij van Tom tegen Estrin, de Russische wereldkampioen correspondentieschaak, gespeeld op 5 mei 1975.

Notatie van een simultaanpartij van Tom tegen Viktor Kortsjnoi, gespeeld op 24 mei 1981, met de handtekening van Kortsjnoi.

Ik zie hier dat jouw naam in krantenartikelen waarin de uitslagen van competitiewedstrijden staan wordt gegeven als M. Fürstenberg. Ben jij dat?

Ja, Michael. Dat ben ik. Ik heet Michael Thomas Fürstenberg. In Joodse kringen is het gebruikelijk dat je bij je tweede naam wordt genoemd. De eerste is je Joodse naam. Ik was daar toen niet consequent in, nu nog steeds niet!

Ik heb de helft van mijn leven in België gewoond. In de jaren 80 ben ik voor mezelf begonnen. Ik handelde onder andere in vliegtuigen en aan de uiterste andere kant in rollen prikkeldraad naar Zuid-Amerika! Ik ben toen ook begonnen met schaakklokken te maken, met Engelse partners. Maar aan die klokken zaten teveel knoppen, dat was niet handig. Het merk heette ’Countdown’. Ze hebben niet zo lang bestaan. Ik ben toen naar een toernooi geweest in Londen en daar hadden ze die klokken. Ik heb de eigenaar ontmoet, degene die daarmee was begonnen, ook een Jood, en we zijn bevriend geraakt. We hebben tijdens dat toernooi zo’n klok aan Kasparov gegeven.

Dus dat was eigenlijk je eerste ingang in de schaakwereld?

Ja. Zo ben ik er ingerold.

En hoe ben je in contact gekomen met Karpov?

Ik spaarde postzegels met schaakmotieven, en op een toernooi waar ik was bleek dat hij dat ook deed. Hij was geabonneerd op een service die nieuwe uitgaves verzamelde en opstuurde. Maar zelfs hij kon ze niet naar Rusland laten sturen, want dat mocht niet. Toen bood ik aan: je mag ze ook naar mij laten sturen. Dat was midden jaren 80. Het contact kwam tot stand via Daniël de Mol, een Belg die bevriend was met Karpov. Karpov en ik waren lid van Chess Collectors International en in deze hoedanigheid woonden wij eens een vergadering in New York bij. Op zulke lange vluchten neem ik altijd mijn vliegbrevet mee om te laten zien. Dan vraag ik de stewardess of de captain mij in de cockpit wil toelaten. Deze keer met Karpov op de co-pilootzetel! Nu kan dat niet meer met alle veiligheidsmaatregelen.

Karpov was er als eregast uitgenodigd, maar de voorzitter opende de vergadering zonder Karpov welkom te heten! Hij noemde dit later tegen ons, maar excuses konden er niet vanaf. Hij was een nogal zelfingenomen figuur en bleef niet lang voorzitter. Overigens zijn die bijeenkomsten reuze interessant en leerzaam.

En was het een formeel contact met Karpov, want uiteindelijk is het toch tamelijk persoonlijk geworden.

Ja. Hij logeerde regelmatig bij mij. Dat was wel leuk. Ik had een snookertafel thuis staan. We gingen altijd snookeren als hij bij mij logeerde. En toen zei ik een keer per ongeluk: ’Shall we play some chess, eh, I mean, snooker?’ Hij zei: ’No, chess! We play chess!’

En hoelang logeerde Karpov dan bij jou?

Telkens een paar dagen. Hij had een postzegelleverancier in België.

Later ben je in Karpovs team terechtgekomen bij de matches om het wereldkampioenschap.

Ja, bij de match tegen Kasparov in New York en Lyon in 1990.

Tom met Anatoli Karpov

Maar ik dacht dat dat kwam omdat je iets met computers had, niet met postzegels. Hoe kwam je in de computerwereld terecht?

Ik importeerde die dingen, van het Amerikaanse bedrijf Fidelity Electronics uit Miami, voor de Benelux. Dat kwam zo. Ik reisde computerschaaktoernooien af. Ik hield me nog steeds bezig met computers en werkte tot 31 december 1999 met Fidelity Electronics. Toen ben ik met pensioen gegaan. Ik heb deze eeuw niet meer gewerkt (lacht). Dat bedrijf zat in Amerika, en ze hadden de eerste schaakcomputer gemaakt. De baas van Fidelity was Sid Samole, eigenlijk Samolevic, ook een Jood. Zijn secretaresse had een vriend die Ron Nelson heette, een programmeur. Die Nelson had een programma gemaakt voor schaakcomputers. Sid vond de notatie langs het bord niet logisch en veranderde dat eigenhandig. Onderste rij de letters en verticaal de cijfers! Die eerste serie computers zijn nu een klein fortuin waard.

Oorspronkelijk maakte Samole medische protheses, kunstledematen, en door de oorlog in Vietnam werd hij erg rijk. Veel Amerikaanse soldaten verloren in Vietnam een arm of een been. Toen die handel opdroogde is hij overgestapt van armen en benen naar schaakcomputers. Bij een toernooi, ik meen in Hamburg, speelde de Fidelity Mach IV mee. Fidelity had hoge verwachtingen maar presteerde toen onder de maat. Het volgende toernooi was in Orlando, Florida, maar Sid Samole was dermate teleurgesteld door het vorige resultaat dat hij besloot niet mee te doen. Ik had mijn vliegbiljet echter al op zak en Sid besloot mij dan maar met de Mach IV naar Orlando te sturen. Hijzelf bleef in Miami. De Mach IV presteerde buitengewoon en voor de laatste ronde stond hij bovenaan. Toen moest hij tegen HiTech van Hans Berliner, een mainframe computer. De Mach IV stond op winst. Hij moest alleen nog éénmaal de juiste zet vinden. Iedereen zag het, alleen de Mach IV niet. Maar de tweede plaats was ook 3.000 dollar waard. Sid was uitermate tevreden en die 3.000 dollar mocht ik houden.

Tijdens een Interpolistoernooi had ik deze computer meegenomen en konden de deelnemers tegen een financiële vergoeding er twee partijen tegen spelen. Er waren er die principiële bezwaren hadden. Smyslov aarzelde. Ik moest hem echt overhalen. Dat lukte. Op een gegeven moment kwam er een toreneindspel op het bord en toen zei hij met zwaar Russisch accent ‘I rrrote a book about ziss, but I forgot what I rrrote’. Hij kreeg er niet genoeg van en bleef spelen, zeker een stuk of 7, 8 partijtjes. Ik kon hem niet meer betalen, maar dat gaf niet. Zoveel plezier had hij.

Smyslov speelt tijdens een Interpolistoernooi tegen de computer die door Tom wordt bediend.

Hoe kwam Karpov op het idee jou te vragen om met een computer mee te doen?

Ik bood het aan. Ik zei: ik kan de nieuwste en sterkste computer voor je krijgen voor de match in New York. Toen zei hij: kom maar, dan mag je hem bedienen. Ik kreeg dan een bepaalde stelling en de computer moest die analyseren, al bij de voorbereiding van de openingen. Ik had daar tijd voor, want ik werkte al zelfstandig. Tijdens de partijen was ik in de perskamer. Ik had een zelfgemaakte perskaart, en iedereen trapte erin. Karpov speelde de tweede helft van de match in Lyon. Toen kon ik even niet en toen heb ik vanuit huis geanalyseerd en op een gegeven moment, Kasparov had wit, en de weerlegging van de hele opzet van zwart was Dc4. Die zet had het team van Karpov niet gezien, maar de computer wel. Ze hadden de computer vanuit New York meegenomen naar Lyon voor de tweede helft van de match, maar niemand nam hem serieus en ze gebruikten hem niet. Toen vertelde ik aan Karpov dat de computer Dc4 had gezien. ’Aiaiai’, zei hij, ’aiaiai…’ maar het was te laat. Hij kwam 1 punt achter en heeft dat niet meer goed kunnen maken. Later ben ik alsnog naar Lyon gegaan.

Stelling uit de 18e matchpartij Kasparov – Karpov, Lyon 1990 na 19… Tb8.

Voor deze partij was de stand in de match gelijk: 8½-8½. Karpov had de zet 18… Tb8 voorbereid, maar Kasparov dacht achter het bord één uur en drie minuten na en vond de weerlegging: 20. Dc4! Kasparov won de partij, waardoor de stand op 9½-8½ in zijn voordeel kwam. Uiteindelijk verdedigde Kasparov zijn titel met succes: de eindstand was 12½-11½ in zijn voordeel.

Die match ging verloren voor Karpov. Heb je ook na die match nog contact gehad met Karpov?

Ja, tot de oorlog in de Oekraïne. Toen mocht hij niet meer naar het buitenland omdat hij op een zwarte lijst stond en nog steeds. Hij is lid van de Doema, het Russische parlement, namens de partij van Poetin. Een opportunist is het. Hij was ook bevriend met Timman, maar de laatste jaren werd dat minder. Karpov logeerde weer een keer bij mij en toen heb ik hem nog naar Amsterdam gereden voor een bezoek aan Timman.

Later kwam je in contact met David Bronstein. Wanneer was dat?

Ja, dat was bij een Aegon-toernooi in Den Haag. Dat was een toernooi van mens tegen computer. Daar heb ik David Bronstein ontmoet. Ik liet hem zijn handtekening in een boek zien, en toen zei hij: ’I remember that.’ Dat was in 1954. Hij zei: ’I remember this, because it was so beautiful.’ Ik had hem toen een kaartje gegeven van mijn vader, en ineens kwam hij in de zaak opdagen. Hij kocht een theeservies. Dat heeft hij op zijn schoot meegenomen in het vliegtuig, maar thuis heeft hij het natuurlijk nooit gebruikt. Ik zag het staan tussen al zijn spullen toen ik bij hem logeerde.

Toen hij dat Aegon-toernooi won en 5.000 gulden opstreek, reden wij naar huis en stopten wij bij een wegrestaurant. Toen wij bij de auto terugkwamen bleek die te zijn leeggehaald. Ongelukkigerwijze had Bronstein zijn prijzengeld in zijn tas gestopt in plaats van bij zich. Weg 5.000 gulden! Ik bood onmiddellijk aan die te vergoeden maar hij wilde er niet van weten. Later heb ik dat goedgemaakt door Tatjana en hem voor dat bedrag regelmatig voedselpakketten te sturen.

Computeruitdraai van de partij David Bronstein – Elite 7, op het Aegon-toernooi in Den Haag van 1992.

Kon je meteen goed met hem opschieten?

Ja. Hij woonde in Moskou, maar als hij naar het westen kwam, logeerde hij ook bij mij. Maar nooit samen met Karpov. In Moskou logeerde ik bij hem thuis. Ik moest en zou in zijn bed slapen en hij sliep dan op twee fauteuils tegen elkaar aangeschoven.

Had je ook contact met bekende Nederlandse schakers?

Ja, Ligterink en Van der Wiel, en later ook Van Wely. Die speelden bij Anderlecht in de Belgische competitie. Bronstein speelde ook in ons eerste team. Dat gebeurde belangeloos, zonder financiële vergoeding. Hij vond dat wij wel wat training konden gebruiken en de zaterdag voor een teamwedstrijd wijdde hij ons in in de geheimen van het schaakspel. Dat bleek een meesterzet want wij wonnen de volgende dag met 8–0!

Ik was toen de sponsor van Anderlecht, dat heb ik vier jaar gedaan. Daarna heeft SWIFT het overgenomen, met Bessel Kok. Toen kwam Sosonko er ook bij. SWIFT organiseerde toen ook toernooien in Brussel. Ik zat in de organisatie. SWIFT vroeg aan Anderlecht hoe ze een schaaktoernooi moesten organiseren, en dat hebben wij toen gedaan. Later hebben ze daarvoor mensen van Hoogovens genomen.

Dat waren prachtige toernooien, rond 1986. Eerst nam Karpov deel en daarna ook Kasparov nog eens.

Ja. Toen is mijn ruzie met Kasparov ontstaan. Hij was jong, begin twintig, en deed heel erg uit de hoogte. Hij zag nooit iemand en hij zei ook nooit gedag als hij ergens kwam. Ik nam toen nogal eens foto’s, en Andrew Page, zijn manager, had dat gezien en aan Kasparov verteld. Na afloop van het toernooi zat ik in het Sheraton beneden te wachten op Karpov. Toen kwam daar opeens Kasparov aan, en hij zei ineens heel vriendelijk: ’Oh hello Tom, I understand that you took a lot of pictures. I would like to send some of them to my mother.’ En toen durfde ik te zeggen: ’Gary, how is it possible that when you need people you know how to find them, but otherwise you don’t see them?’ Toen zei hij: ’Oh, if you don’t want to give the pictures, it’s fine.’ Toen zei ik: ’No, you are going to get them, but I wanted to tell you: why is this, this attitude?’ Toen zei hij: ’Vóór de partij ben ik zo geconcentreerd, dan zie ik niemand. Dan ben ik helemaal in gedachten verzonken. En na afloop ook, want dan ben ik aan het analyseren met mijn tegenstander en zo.’ Toen zei ik: ’Okay, very good. I understand now.’ En toen ben ik nog ’s avonds bij hem uitgenodigd op zijn appartement: ’Oh, bring your wife’ en dat hebben we ook gedaan. We hebben sandwiches gegeten met kaviaar en zalm en dergelijke lekkernijen. Hij was alleen, hij had zijn moeder niet bij zich. Wel was zijn coach Alexander Nikitin er. Hij heeft toen een heleboel foto’s uitgezocht. Heel vriendelijk, en na afloop zei hij: ’Thank you very much. Goodbye.’

Later waren we met Bronstein bij een Fontys-toernooi in Tilburg, in de jaren 90. Toen had ik al het boek over Bronstein geschreven en er was net een nieuwe Duitse uitgave verschenen. Dat had ik aan Bronstein gegeven en Bronstein liet het aan Kasparov zien. ’Tom wrote this book’ zei hij tegen Kasparov. Kasparov keek mij niet aan. Toen ging hij weg, met de Russische televisie, en toen zei Bronstein: ’Ik denk dat hij iets tegen je heeft.’ Ik zeg: ´Wat?’ Ik merkte al een beetje afstand, maar ik wilde weten wat er aan de hand was, dus ik loop Kasparov achterna. Hij liep de trap af, ik tikte hem op de schouder en vroeg: ’Gary, do you have something against me?’ Hij zegt: ’Yes.’ Ik vroeg: ’What is it?’ Hij zegt: ’Your face reminds me of something unpleasant, but I’ve forgotten what it is.’

Ging dat nog over wat jij toen tegen hem gezegd had in Brussel?

Ja, hij wist dat er iets was, maar hij wist niet meer wat. Ik zeg: ’How can you be angry with me if you don’t know why?’ Maar hij liep gewoon door. Toen zei ik: ’Do you remember that I told you this and this and this?’ Toen zei hij: ’That’s it! That’s it!’ Daarna heb ik hem gezien bij een simultaan te Lint in België. Daar was hij alleraardigst. Dat was in 2005, hij was net gestopt met schaken. En toen zei ik: ’Can we be friends from now on?’ Hij zei: ’Yes, we can, because I am no longer in the chess world.’ Daarom kon hij vriendelijk zijn, omdat hij niet meer in de chess world zat.

Had Karpov ook van dat soort gekke dingen, of was hij vrij normaal? Hij werd in de jaren 80 in het westen gezien als een soort Russische communistische automaat, zo’n nikszeggende dode vis.

Nou dat valt reuze mee. Karpov was redelijk normaal. Hij was heel aardig. Als hij in België was nodigde hij me ook uit voor het eten, maar alleen als ik alleen was. Als ik mijn vrouw bij mij had, deed hij dat niet. Dat kostte hem kennelijk teveel geld.

Voor zijn vijftigste verjaardag nodigde hij mij uit naar Moskou te komen. Het was een groot driedaags feest met als hoogtepunt het bijwonen van een voorstelling in het Bolshoi-theater.

Op een keer waren we bij een toernooi in de perskamer en er was een discussie gaande over het nut van de zomertijd. Ze kwamen er niet uit. Toen opperde ik dat in de zomer daardoor de boeren 1 extra uur met zonlicht zouden krijgen. Niemand reageerde, alleen Karpov, die het uitproestte van het lachen.

Hij heeft ook één keer voor onze club gespeeld. Ik heb hem er wel dik voor moeten betalen, maar dat was de moeite waard; hij won. Het stond nog gelijk voor de 40e zet en zijn tegenstander had nog 2 minuten maar die zat als verlamd achter het bord en zette niet meer.

Had je ook contact met Timman en Sosonko?

Met Timman niet echt. Sosonko heeft een deel van mijn boek vertaald uit het Russisch. Ook Ligterink en Van der Wiel hebben bij mij thuis gelogeerd. Van der Wiel wilde nog wel eens flink drinken. Die zei een keer ’s nachts om twee uur: ’Ik wil nou de computer eens op z’n sodemieter geven.’ Toen speelde hij net zo lang door tot hij won. Toen kon hij pas slapen.

Was het jouw idee om een boek over Bronstein te schrijven of zocht hij iemand?

Ik gaf hem dat boek cadeau voor zijn 70e verjaardag. Hij wist daar niks van. Hij had een tas met allerlei spullen bij mij thuis staan en ik heb daarin gegrasduind. Dat waren allemaal partijen die hij had gespeeld. Hij wilde naar het westen komen en hij had daarvoor zijn hoop op mij gevestigd. Het leven in het westen was beter dan in Rusland, maar uiteindelijk is hij bij zijn vrouw in Belarus gebleven.

Titelpagina van de ’Pre-First Edition’ van Toms boek over Bronstein, dat later de titel ’De tovenaarsleerling’ zou krijgen.

Hoeveel exemplaren bestaan er van deze ’pre-first edition’?

Drie. Eén exemplaar heeft Bronstein, één heb ik, en één heeft Tatjana, de derde vrouw van Bronstein. Tatjana Boleslavskaja was de dochter van zijn goede vriend Isaac Boleslavski. Bronstein bracht zijn 70e verjaardag door op IJsland. Ik had dat boek gemaakt, maanden van tevoren. Ik had er zo’n zes maanden aan gewerkt. Ik heb het per Fedex opgestuurd naar IJsland. En ik hoorde maar niks. Hij had het boek allang moeten hebben. Toen heb ik hem uiteindelijk maar opgebeld: ’Did you get your birthday present?’ ’Yes, I got it.’ ’Why don’t I hear from you?’ Toen zei hij: ’I was and still am literally speechless.’

In het boek staat commentaar bij de partijen. Van wie is dat commentaar?

Van Bronstein. Het is door Sosonko vertaald. Sosonko zei dat zijn vriendin, die Russisch kende, het vertaald heeft, maar dat geloof ik niet. Bronstein zei: ’I like it so much, we are going to make a book out of it.’ Toen hebben we het verder uitgewerkt. Voordat het de vorm van het latere boek had, heeft dat twee jaar geduurd.

Opdracht van David Bronstein aan Tom op de titelpagina van de Russische uitgave van ’De tovenaarsleerling’ uit 2004, gedateerd 2 juli 2004.

Hoe kwam je bij de opzet van het boek?

Ik wilde het opbouwen rond het thema 40-50-60-70. Er staat een hoofdstuk in met 40 aanbevelingen voor beginners, dan 40 combinaties met uitleg, dan 50 uitgebreid becommentarieerde partijen, vervolgens 60 partijen met alleen diagrammen en tenslotte 70 ’schilderachtige’ partijen. Het boek is uitgegeven bij Cadogan. Het was Andrew Kingsman, die had daar grote problemen mee, met dat boek. Hij zei: dat is geen schaakboek, dat kan ik niet uitgeven. Dat kwam door de aparte opzet. Hij wilde het uiteindelijk wel uitgeven, maar dan moest ik een gedeelte van het financiële risico dragen. Hij wilde een bijdrage van 400 pond. Toen heb ik met Bronstein overlegd en die zei: doe het maar. Omdat het boek later zo’n succes had, ben ik vergeten die 400 pond terug te vragen. Het werd schaakboek van het jaar in 1996. New in Chess heeft het in 2006 opnieuw uitgeven en het werd tot een paar jaar geleden nog herdrukt. Ik had er na de dood van Bronstein genoeg in veranderd om opnieuw schaakboek van het jaar te worden!

Heb je enig idee hoeveel exemplaren er in totaal van verkocht zijn?

Aan onze royalties te zien denk ik zo’n 30.000 wereldwijd. Voor een schaakboek is dat veel. Meestal worden er maar 2.000 gedrukt en bij succes volgt er dan eventueel een herdruk. Dit boek is in zes talen verschenen: Engels, Frans, Duits, Russisch, Italiaans en Spaans.

De Russische uitgave van Toms boek ’De tovenaarsleerling’

De Spaanstalige uitgave van Toms boek ’De tovenaarsleerling’

Titelpagina van de Spaanstalige uitgave met de handtekeningen van David Bronstein en Tom Fürstenberg.

Heb je ooit een partij tegen Bronstein of Karpov gespeeld?

Met Karpov een stuk of vijftig partijtjes in de loop der tijden. Vluggertjes met klok. Ik heb één remise gehaald. Of hij me die gegeven heeft of niet, wil ik niet weten. Tegen Bronstein heb ik wel een paar partijen gewonnen. Vluggertjes met 5 minuten op de klok.

Ben je in de jaren 70, 80 en 90 altijd lid gebleven van een schaakclub?

Ja, altijd van schaakclub Anderlecht. Na mijn pensioen ben ik tot 2011 in België blijven wonen, en daarna ging ik terug naar Nederland, voor mijn vriendin Verena. Zij komt overigens uit een schakersfamilie. Haar beide ooms waren hoofdklassespelers, Rico en Bert Crabbendam. Loes, een aangetrouwd familielid van Verena, woonde aan de Pettelaarse Schans. Verena en ik lieten de hond uit en we hebben aangebeld bij tante Loes. Ze had visite, maar we mochten boven komen. Toen hebben we haar appartement gezien. Toen zei ik: ’Waar zijn die appartementen die nu te koop zijn?’ Er waren vijf van deze appartementen te koop. Ze konden ze aan de straatstenen niet kwijt.

Dat was in 2012, dat had waarschijnlijk te maken met de financiële crisis van een paar jaar eerder.

Ja, dat was heel erg. Uiteindelijk heb ik dit appartement gekocht voor 33.000 euro. Het doet 200.000 euro nu. Geweldig. Uit mijn achterzak betaald.

Wanneer is Bronstein overleden?

Op 6 december 2006. Hij is nooit definitief naar het westen gekomen. Hij had niemand die hem sponsorde. Hij was onmogelijk om mee te leven. Ik had zijn speech die hij gaf ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag in IJsland uitgetypt, maar toe hij die las zei hij: ‘This is nonsense.’

Hij had ook een bekende vete met Botwinnik. Toen ik jong was dacht ik dat Bronstein echt genept en genaaid was.

Dat was ook zo.

Maar ik heb later wel eens gelezen dat Botwinnik eigenlijk niks verkeerd heeft gedaan. Hij heeft alleen de match tegen Bronstein in 1951 met 12-12 gelijkgespeeld, waardoor hij zijn wereldtitel behield. Maar dat hij Bronstein tegengewerkt heeft, dat wordt tegenwoordig wel betwijfeld. Daar weet jij waarschijnlijk veel meer van. En je hebt mij een keer iets verteld over het kandidatentoernooi in Boedapest in 1950, dat gedeeld werd gewonnen door Boleslavski en Bronstein.

Boleslavski stond op het eind een punt voor, maar hij heeft zich bewust laten inhalen door Bronstein. Dat heeft Bronstein mij verteld. Bronstein en Boleslavski waren goede vrienden. Bronstein is veel later ook getrouwd met de dochter van Boleslavski. Maar Boleslavski had nog nooit een partij gewonnen tegen Botwinnik, en Bronstein wel. Toen hebben ze afgesproken dat Bronstein veel meer kans zou hebben in een match tegen Botwinnik dan Boleslavski.

Na het kandidatentoernooi hebben Bronstein en Boleslavski een match moeten spelen om te bepalen wie wereldkampioen Botwinnik mocht uitdagen. Bronstein won die match met 7½-6½.

Boleslavski heeft die match met opzet verloren. Hij wilde niet tegen Botwinnik spelen. Dat hadden ze samen van tevoren overeengekomen.

Heeft Bronstein ook wel eens tegen jou verteld over de match tegen Botwinnik? Zijn vader had in de Sovjet-Unie heel lang gevangen gezeten in een kamp en kwam als een geslagen man uit dat kamp terug. Pas in 1955, vier jaar na de match van zijn zoon tegen Botwinnik, is hij officieel gerehabiliteerd.

Bronsteins vader zat tijdens die match als toeschouwer op de eerste rij.

Botwinnik hield altijd vol dat het gedrag van Bronstein tijdens de match schandalig was. Wanneer Bronstein had gezet, verdween hij achter het gordijn, en dan keek hij wel eens heel snel en grappig van achter het gordijn de zaal in, waardoor het publiek moest lachen. Botwinnik ergerde zich daar heel erg aan.

Met de wijsheid achteraf zei Bronstein: ik wilde die match niet winnen. Ik wilde geen wereldkampioen worden. Dan krijg je allerlei verplichtingen.

Denk jij dat dat echt zo was?

Nee. Bronstein heeft de match verloren door psychologische spelletjes van de kliek van Botwinnik. Waaruit die druk van Botwinnik bestond, heeft Bronstein me nooit verteld. Maar hij stond onder enorme psychologische druk van de omgeving van Botwinnik, dus hij is wel degelijk tegengewerkt. Dat heeft Bronstein toegegeven als hij te veel gedronken had. Als ik hem de volgende dag vroeg of ik dat in ons boek mocht schrijven, verbood hij mij dat. Ik heb dat gerespecteerd. Hij was nog steeds bang voor de KGB.

Kasparov deed ook dat soort dingen, hè? Als je Anand hoort over zijn match tegen Kasparov. Toen Anand een punt voorstond, na acht remises won hij de negende partij, ging Kasparov tijdens de partijen heel onaangenaam doen, met deuren gooien en dat soort intimiderend gedrag.

À propos Anand. Die zag ik voor het eerst toen hij als 17-jarige moederziel alleen op Zaventem aankwam. Ik heb hem toen maar onder mijn hoede genomen en hem gevraagd of hij misschien aan ons lokale toernooitje wilde meedoen. Dat wilde hij wel. De toekomstige wereldkampioen zat bij ons te schaken! Zijn achternaam is niet Anand; dat is zijn voornaam. Viswanathan heet hij eigenlijk. Maar zelfs in India noemen ze hem nu Vishy! Ik was zeer vereerd toen hij mij om een handtekening vroeg in mijn boek. Ik schreef: Voor de toekomstige wereldkampioen. Hij lachte verlegen, maar de voorspelling kwam wel uit. Even afgedwaald. Nu het antwoord op je vraag. Ja. Botwinnik was ook niet zuiver op de graat.

In Lyon heb ik Lilienthal nog ontmoet. Er stond een klein mannetje naast me, hij kwam mij bekend voor. Toen besefte ik dat ik naast de grote Lilienthal stond! Ik dacht dat hij zo groot was als zijn reputatie, maar nee. We hebben heel lang zitten kletsen. Hij was toen al aardig op leeftijd. Hij is 99 geworden.

Met Averbach, hij is overigens 100 geworden, had ik een leuke discussie in het schitterende museum van de Centrale Schaakclub in Moskou. Hij vertelde honderduit over zijn belevenissen. Ook die keer in Zuid-Amerika toen ze op bezoek waren bij de Russische ambassade. De ambassadeur vroeg of iemand koffie of thee wilde. Iedereen wilde koffie, Bronstein thee. Voor een tweede rondje wilde iedereen thee. Bronstein koffie!

Lilienthal was ook iemand die met Botwinnik totaal niet overweg kon.

Wie wel? Botwinnik was een onaangenaam persoon. Zijn dochter daarentegen reuze vriendelijk. Zij en haar dochter komen voor in de video die ik over Bronstein heb gemaakt.

Kasparov had heel lang een heel goede relatie met Botwinnik. Hetzelfde type, denk ik.

Dat denk ik ook.

Spasski was ook in Lyon. Heb je nog met hem gesproken?

We hebben met z’n drieën in een Parijs’ restaurant Bronsteins verjaardag gevierd. Spasski was heel aardig. Hij vertelde dat hij Fischer zeer dankbaar was want z’n centen waren bijna op. Overigens staan mijn avonturen in Joegoslavië elders op deze site.

Zijn schakers naar jou idee anders dan andere mensen?

Ja, ik vind van wel. Het is apart volk met aparte ideeën. Ook Karpov heeft soms bepaalde rare ideeën. Een beetje een weltfremd figuur. Hij is ook erg pro-Poetin. Hij waait met alle winden mee. Hij was ook zeer bevriend met Brezjnjev.

Heb je ooit Kortsjnoi ontmoet?

Ja, bij het Melody Amber-toernooi in Monaco. Daar hebben ze ook de eerste schaakklokken van mij gebruikt. Die prototypen waren gemaakt door Bennie Bulsink en Albert Vasse die toen DGT hebben opgericht. Ik werd door hen gevraagd met hen mee te doen, maar vanuit België zag ik daartoe geen mogelijkheid. Daar sprak ik Ivanchuk. Heel aardig. Wij groeten elkaar hartelijk sindsdien. Ik nam die klokken mee naar huis en heb ze pas een jaar of drie geleden aan DGT gegeven.

In de jaren 80 en 90 was ik lid van SMB in Nijmegen. Ons eerste team speelde in de hoofdklasse en dat speelde vaak tegen Volmac Rotterdam. Dan kwamen mensen als Jan Timman, Hans Böhm en Viktor Kortsjnoi, met Petra Leeuwerik, naar Nijmegen. Dus ik heb Kortsjnoi wel een paar keer gezien, maar het leek me net zo’n type als Botwinnik en Kasparov.

Ja, vreemd. Apart. Met Tal kon ik goed opschieten. Tijdens een SWIFT-toernooi viel hij eens volkomen dronken van zijn stoel. Ze hebben hem weer op zijn stoel gezet en naar zijn kamer gedragen. Tal kon overigens prima schaken als hij dronken was. Dat heb ik met eigen ogen gezien. In die staat won hij een mooie partij van Timman tijdens de KRO-tweekamp.

Na afloop van een ronde liep hij eens voor mijn auto langs toen ik uit de parkeergarage van het Sheraton Hotel kwam. Achter het hotel begon de hoerenbuurt. Ik ben Tal toen voorzichtig gevolgd. Bij de tweede of derde ging hij naar binnen. De afloop heb ik niet afgewacht!

Dat was ook het toernooi waarin Tal alle die dag gespeelde partijen doorbelde naar Moskou, alles uit zijn hoofd mét analyses!

Tom aan het graf van Michail Tal in Riga

Toen je in 2011 vanuit België hier kwam wonen, ben je lid geworden van De Vughtse Toren.

Ja, tot een jaar of zeven geleden. Toen ben ik daar weggegaan. HMC vond ik een te grote club, daarom ben ik lid geworden van De Kentering.

Tom met de Nederlandse topschaker Anish Giri

Olga Capablanca, de weduwe van José Raul Capablanca, samen met Mikhail Botwinnik. Foto genomen door Tom tijdens een computerschaaktoernooi in New York. Reuben Fine zou ook komen, maar was op het laatste moment verhinderd, waarna Tom bij hem op bezoek is gegaan.

Tom, namens de club hartelijk dank voor dit interview!

Partij met veel tactieken

Door Mathijs

Een mooie partij met heel veel tactieken. Helaas op zet 23 gemist dat Pxa3+ met de loper mat is. Maar een erg mooie partij met veel actie en aanval van beide kanten.

Er zitten verschillende voorbeelden in van keuzes die je maakt bij bijvoorbeeld het vroege rokeren van je tegenstander. Maar ook het open breken van het centrum door Paul wanneer de tegenstander zijn koning nog in het centrum heeft staan. Een erg leuke partij was het.

Schaakstudie #8 – Euwe’s laatste

Door David

Afgelopen weken memoreerden we in enkele artikelen de grote daden van en mooie herinneringen aan Jan Timman. Nu weer eens aandacht voor de enige Nederlandse wereldkampioen die we ooit gehad hebben, Dr. Max Euwe. Hij verwierf zijn wereldtitel in 1935 door in een tweekamp de Rus Aleksandr Aljechin te verslaan. Euwe, geboren in 1901, heeft tot zijn laatste levensjaar in 1981 geschaakt.

De laatste officiële partij speelde hij met zwart tegen René Moonen in 1981. René Moonen, toen 38 jaar is inmiddels ook 83 en speelt nog altijd actief in de 2e klasse  KNSB voor Eindhoven 1.

In deze partij tegen Euwe leek Moonen een winnende aanval te hebben. Zie diagram 1. Moonen speelde de schijnbaar winnende zet 36. Txg7, die, afhankelijk van de reactie van zwart, op wel vier manieren mat dreigt. Zou Euwe deze laatste wedstrijd van zijn schaakcarrière verliezen?

Afgelopen maandag stond de stelling op het demonstratiebord met de vraag: Met welke zet wint Euwe deze partij? Veel van de aanwezige clubleden vonden de oplossing, het verbluffende 36… Dxg3+!!
Euwe moet deze zet al enkele zetten eerder gezien hebben, want hij was onbekommerd op pionnenjacht gegaan op de damevleugel (vandaar die meerderheid daar), terwijl Moonen zijn zware stukken in stelling bracht. Euwe had met de voorgaande zet 35… Td2 een valstrik in de stelling had gebracht. Na 36. Txg7 speelde hij dus 36… Dxg3+!!


Er volgde het gedwongen 37. Dxg3 Txg7 (diagram 2), en nu staat zwart gewonnen. Wit gaat mat als hij niet de dame voor de twee torens geeft, en dan beslist het grote pionnenovertal van zwart: 38. Db8+ Tg8 39. Db7 Tdg2+ 40. Kh1 Tg1+ 41. Kh2 T8g2+ en nu moet wit de dame ruilen tegen de twee torens en winnen de pionnen van zwart de partij.


Maandag keken we nog het langst naar de variant waarin zwart niet 38… Tg8 speelt maar Kh7. Wit heeft nu een zet de tijd om ruimte voor de koning te maken met h3-h4. Vanuit diagram 2:
38. Db8+ Kh7? 39. h4 Tdg2+ 40. Kh1 (op Kh3 volgt T7g3+ etc) en  nu 40… T2g4! (zie diagram 3). 41. Dh2 helpt niet vanwege Tg1+ etc.

Analyse partij Leon-Sven

Door Leon

Een analyse van mijn partij tegen Sven, maandag 21 april 2026

Jan Timman-Ton Snoeren 0-1

Door Ton


Mijn leukste herinnering aan Jan Timman is toch mijn overwinning in een simultaanpartij in Waalwijk, 1980. Timman is net bij mijn bord aan zet (foto). In die tijd had ik nog 1 jaar een bril, zelfs een snor, al houd ik mijn hand ervoor.

Iemand heeft deze foto met een Polaroid camera gemaakt. En ik heb daar nu weer een foto van gemaakt.

De partij is gespeeld op 13 september 1980 in het winkelcentrum De Els in Waalwijk. In die tijd woonde ik nog in Kaatsheuvel en speelde bij SV Waalwijk.

Timman speelde tegen ongeveer 30 spelers. Ik was een van de laatste spelers. De hele top van Waalwijk en een paar jeugdspelers waren van de partij.