Wie wordt mr. LOGICUS?

 

Wit speelt en wint. Neem de stelling over op je schaakbord en los het probleem eerst op, want Leon geeft in zijn commentaar ook de oplossing. Meld je aan, als je de zetten hebt gevonden. Succes!

Leon heeft deze keer een uiterst logisch schaakprobleem opgeduikeld. De oplosser van het probleem mag zich dan ook een jaar lang de Mister Logicus van de club noemen. Hij zal op de clubavonden behandeld worden met alle egards die hem krachtens zijn nieuwe status toekomen. Hij moet wel eerst het probleem oplossen en dan pas het commentaar van Leon gaan lezen.

28-2-2021: De schoonheid van het schaakspel  door LtB

Een tijdje geleden liet ik een studie zien van de Rus Aleksej Troitsky. Na hernieuwde naspeuringen stuitte ik op een ander werk van deze grondlegger van de eindspelcompositie, die tussen ongeveer 1895 en 1930 zijn meeste problemen publiceerde.

Ik geef de stelling, waarin de opgave luidt: wit speelt en wint. Het is een prachtig, logisch geheel. Omdat de oplossing vrij omvangrijk is, geef ik die ook meteen. Wie zelf wil puzzelen, moet dus maar eerst de diagramstelling op het bord zetten en daarna pas doorlezen!

Ik ontleen het probleem aan het boek van Hans Bouwmeester, Prisma Schaakboek 2, Utrecht-Antwerpen 1961, p. 11-12. Bouwmeester geeft vrijwel geen varianten; ik ga hieronder uitgebreider in op alle mogelijkheden. De Prisma-schaakboekjes van Bouwmeester, wie is er niet groot mee geworden? Als kind had ik de nummers 4, 5, 6, 9, 10 en 11. Vooral boekjes 4 (Partijen van wereldkampioenen en hun rivalen) en 5 (Topprestaties van 50 grote meesters) heb ik letterlijk stukgelezen!

Oplossing

Bij nadere bestudering van de stelling zal duidelijk worden, dat zwart alleen maar de witte pion hoeft te elimineren om remise te bereiken. Wits eerste zet is daarom duidelijk: hij moet 1. dxe6 spelen.

Nu heeft zwart op zijn beurt maar één manier om niet te verliezen. Wanneer hij 1… Tc8 speelt, volgt 2. Pxf6 en wit wint omdat zwart zijn toren moet geven voor de pion. Zwart moet dus 1… Tc1† spelen.

Hierop speelt wit niet 2. Kg2, omdat dit na 2… Txh1 3. e7 Te1 of 3. Kxh1 Kc7 tot remise leidt. Wit kan ook niet 2. Ke2 spelen, want dan is het eveneens remise na 2… Txh1 3. e7 Th5!, waarna zwart na 4. e8D de zet 4… Te5† bij de hand heeft. Hier blijkt het belang van de pion op f6!

Wit heeft dus maar één zet om op winst te blijven spelen, en wel 2. Kf2! Hierna moet zwart de toren op h1 slaan. Hij heeft geen keus; bij elke andere zet promoveert de witte pion. Zwart speelt dus 2… Txh1.

Wit speelt nu zijn pion op: 3. e7. De pion is er bijna, maar nog niet helemaal! Zwart kan de pion niet direct tegenhouden en is dus, om de strijd te rekken, aangewezen op schaakjes (3… Txh7 4. e8D is een elementaire winst voor wit). Dat kan alleen met 3… Th2†. Wit kan nu niet winnen met 4. Kg3 Te2 en ook niet met 4. Ke3 Th5 (weer die listige zet!). Hij moet dus langs de f-lijn omhoog: 4. Kf3.

Zwart heeft geen keus en moet schaak blijven geven. Hij speelt dus 4… Th3†. Ook nu moet wit met zijn koning op de f-lijn blijven, want 5. Kg4 leidt na 5… Te3 tot remise en op 5. Ke4 antwoordt zwart 5… Th1!, waarna de dreiging 6… Te1 remise oplevert. Wit speelt dus 5. Kf4!

Zwart heeft wederom geen keus; hij moet schaak blijven geven en speelt dus 5… Th4†.

Na 6. Kf5 Th5† moet wit de pion op f6 slaan; na 6. Ke6 komt 6… Te5† en zwart geeft zijn toren voor de pion, met remise als resultaat. Wit speelt dus 7. Kxf6. Nu moet de zwarte toren op h6 schaak geven: 7… Th6†.

Wit heeft nu wederom maar één veld voor de koning: na 8. Kf7 volgt 8… Txh7† en zwart slaat de pion, na 8. Ke5 volgt 8… Th1 en zwart wint door de dreiging 9… Te1, en tenslotte worden de zetten 8. Kg7 en 8. Kg5 beantwoord met 8… Te6. Wit moet dus 8. Kf5 spelen.

Nu herhaalt zich het proces in omgekeerde richting: zwart moet schaak blijven geven en wit moet met zijn koning op de f-lijn blijven. Er volgt dus: 8… Th5† 9. Kf4. Gaat de koning naar de g-lijn, dan volgt 9… Te5, gaat de koning naar de e-lijn, dan volgt 9… Th1, telkens met remise!

Zwart moet schaak blijven geven en speelt 9… Th4†. Wit blijft op de f-lijn met 10. Kf3 (ook hier wordt het betreden van de g-lijn weerlegd met 10… Te4 en het betreden van de e-lijn door 10… Th1!) en zwart geeft weer schaak: 10… Th3†. Nu kan wit eindelijk de e-lijn ’ronden’ en 11. Ke2! spelen.

Zwart heeft geen keus en moet 11… Th2† spelen. Wit loopt nu met de koning naar zijn pion toe, en wel via de d-lijn. Speelt wit 12. Ke3, dan heeft zwart weer de truc 12… Th5 met de dreiging 13… Te5† en remise. Wit moet dus 12. Kd3 spelen.

Zwart kan alleen maar schaak blijven geven en doet dat middels 12… Th3†. Wit speelt 13. Kd4 (niet 13. Ke4 Th1 of 13. Kc4 Te3). Zwart geeft weer schaak met 13… Th4†, waarna wit 14. Kd5 speelt (niet 14. Ke5 Th1).

Zwart kan niet anders dan 14… Th5† spelen. Hierna komt 15. Kd6 (niet 15. Ke6 Th1), waarna zwart weer schaak geeft met 15… Th6†.

Nu is er weer een sleutelstelling ontstaan. Wit kan niet met zijn koning naar voren (16. Kd7), want dan speelt zwart 16… Txh7 en het is remise. Maar wit heeft nog een verrassende paardzet paraat: hij speelt 16. Pf6!

Zwart moet nu het paard wel slaan. De enige andere zet die de pion van promotie zou kunnen afhouden is 16… Th8, maar dan speelt wit 17. Pd7†, gevolgd door 18. Pf8, waarna de pion ongedeerd de overkant bereikt, bijvoorbeeld na 18… Th6† 19. Kd7, waarna zowel het veld e6 als het veld h7 voor de toren ontoegankelijk zijn! Zwart speelt dus 16… Txf6†.

Nu begint het hele proces opnieuw, voor de derde keer! Wanneer wit 17. Kd7 speelt, ruilt zwart met 17… Tf7 de pion af en is het remise. Gaat wit met de koning naar de e-lijn (17. Ke5), dan maakt zwart remise met de bekende manoeuvre 17… Tf1! Wit moet dus weer helemaal omlaag met de koning, en wel via de d-lijn: 17. Kd5!

Zwart kan nog steeds alleen maar schaakjes geven en moet dus 17… Tf5† spelen. Na 18. Kd4 (niet 18. Ke4 Tf1) geeft zwart schaak met 18…Tf4†. Wit speelt dan 19. Kd3 (niet 19. Ke3 Tf1) en na 19… Tf3† heeft wit eindelijk zijn doel bereikt: na 20. Ke2 heeft zwart geen enkele mogelijkheid meer om de promotie van de e-pion te verhinderen! Het eindspel van dame tegen toren is elementair gewonnen.

Je houdt je adem in bij het naspelen (of oplossen) van deze studie. Wat een diepgang en wat een eenvoud tegelijkertijd! Meesterlijk.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.